Dat komt onder meer doordat hun rol indirect of faciliterend kan zijn, doordat gedrag zich online of in besloten omgevingen afspeelt en doordat slachtofferschap en daderschap door elkaar kunnen lopen. Ook kunnen bestaande beelden over meisjes invloed hebben op wat professionals signaleren en registreren.
Blinde vlek in de signalering
“De blinde vlek zit niet alleen in hoe meisjes en jonge vrouwen betrokken zijn bij criminaliteit, maar ook in hoe wij daarnaar kijken. Als een gemeente vooral afgaat op wat al zichtbaar is in registraties, kan een deel buiten beeld blijven. Een school ziet bovendien andere signalen dan een jongerenwerker, wijkagent of zorgprofessional. Online gebeurt weer iets anders. Juist de gemeente kan organiseren dat die beelden bij elkaar komen. Dat helpt om eerder een completer beeld te krijgen van wat er speelt en om passende zorg, preventie en veiligheidsmaatregelen in te zetten. Daarbij is het belangrijk om meisjes en jonge vrouwen niet automatisch als slachtoffer, meeloper óf dader te zien.”
— Katja Muselaers, adviseur (online) jeugdcriminaliteit, Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid
Het WODC beschrijft dat meisjes met antisociaal en delinquent gedrag vaak pas laat in beeld komen. Het onderzoek in Roosendaal laat zien dat signalen zoals schooluitval, nieuwe afhankelijkheidsrelaties, veranderingen in online gedrag, middelengebruik en psychische problemen niet altijd vroeg worden verbonden aan mogelijke criminele betrokkenheid.
Groot verschil tussen zelfrapportage en registraties
Het WODC en de Vrije Universiteit onderzochten criminaliteit onder minderjarige meisjes en jongvolwassen vrouwen.
Daaruit blijkt dat zij veel minder vaak als verdachte worden geregistreerd of schuldig worden bevonden aan een misdrijf dan mannelijke leeftijdsgenoten. Tegelijkertijd laat zelfrapportage zien dat een grotere groep aangeeft delicten te hebben gepleegd.
In 2023 gaf ongeveer één op de acht meisjes van 12 tot en met 17 jaar aan in het voorafgaande jaar één of meer delicten te hebben gepleegd. Bij vrouwen van 18 tot en met 22 jaar was dit ongeveer één op de tien. Minder dan één procent werd in datzelfde jaar als verdachte geregistreerd. Bij zelfrapportage gaat het veelal om lichtere feiten die niet worden gesignaleerd of vervolgd.
Op langere termijn daalde het aantal verdachte en schuldig bevonden meisjes en jongvolwassen vrouwen tussen 2010 en 2024. Bij meisjes van 12 tot en met 15 jaar was tussen 2020 en 2024 wel een stijging zichtbaar in het aantal veroordelingen. Die hing vooral samen met geweld, lichte agressie, vernieling en openbare-ordefeiten.
Het WODC benadrukt dat de aantallen laag zijn. Aanvullend onderzoek is nodig om te bepalen of sprake is van een maatschappelijke ontwikkeling of dat veranderingen in opsporing en vervolging een rol spelen.
Vier vormen van onzichtbaarheid
Het onderzoek in Roosendaal benadert meisjescriminaliteit niet alleen vanuit afzonderlijke delicten, maar vooral vanuit verschillende vormen van onzichtbaarheid. Dat biedt professionals een bruikbaar kader om signalen te herkennen die anders mogelijk worden gemist.
- Gedragsmatig: de betrokkenheid is vaak indirect, relationeel of faciliterend. Voorbeelden zijn een rol als geldezel, bijrijder, vervoerder van goederen, online verspreider van content of ronselaar van anderen
- Ruimtelijk: gedrag speelt zich relatief vaak af in woningen, auto’s, besloten omgevingen, buiten de eigen gemeente en online
- Sociaal: betrokkenheid ontstaat geregeld binnen vriendschappen, liefdesrelaties en andere afhankelijkheidsrelaties.
- Gendergebonden: stereotypen kunnen de waarneming beïnvloeden. Meisjes worden eerder als slachtoffer of meeloper gezien dan als mogelijke actieve dader. Daardoor kunnen signalering en registratie achterblijven.
In Roosendaal zijn de beschikbare aantallen klein. Daardoor is geen duidelijke stijging of daling vast te stellen. Professionals verwachten wel dat de daadwerkelijke betrokkenheid van meisjes groter is dan uit de registraties blijkt.
Slachtofferschap en daderschap kunnen door elkaar lopen
Het onderzoek in Roosendaal beschrijft dat de grens tussen slachtofferschap en daderschap bij meisjes kan vervagen.
Meisjes kunnen bijvoorbeeld worden geronseld of uitgebuit, vervolgens zelf strafbare handelingen uitvoeren en later ook anderen ronselen of aansturen.
Volgens de onderzoekers doet een indeling in uitsluitend slachtoffer of uitsluitend dader daarom niet altijd recht aan de werkelijkheid.
Welke risico- en beschermende factoren noemen de onderzoeken?
Beide onderzoeken noemen factoren op individueel niveau en binnen gezin en relaties.
Het WODC noemt onder meer angststoornissen en slachtofferschap van seksueel misbruik als factoren die bij meisjes relatief belangrijk zijn.
Het onderzoek in Roosendaal noemt daarnaast een instabiele thuissituatie, psychische problematiek, een laag zelfbeeld en behoefte aan erkenning en verbondenheid.
Beschermende factoren zijn onder meer steunende netwerken, positieve relaties met volwassenen,
sociale en communicatieve vaardigheden en een stabiele gezins- en onderwijscontext.
Wat betekent dit voor beleid en praktijk?
De onderzoeken noemen verschillende handelingsrichtingen voor gemeenten en professionals:
- Versterk vroegsignalering. Neem minder zichtbare, relationele en online signalen op in instrumenten, casusbesprekingen en trainingen.
- Verbind zorg en veiligheid. Benader slachtoffer- en daderschap als een continuüm en verbind zorg en veiligheid rond dezelfde jongere.
- Investeer in langdurig en relationeel werken. Continuïteit en een betrouwbare volwassene kunnen beschermend zijn.
- Verbind offline en online jongerenwerk. Benut ook online trendinformatie in lokale signalering.
- Maak regionale afspraken. Maak afspraken over signalering, opschaling, informatie-uitwisseling en taakverdeling, omdat meisjes zich geregeld buiten de eigen gemeente bewegen.
- Versterk meidenwerk. Verken aanvullende interventies die aansluiten op weerbaarheid, sociale vaardigheden, identiteit, trauma, emotieregulatie en gezonde relaties.
- Zorg voor veilige uitstapmogelijkheden. Deze moeten direct beschikbaar zijn bij criminele of seksuele uitbuiting.
- Investeer in deskundigheid. Besteed aandacht en genderstereotypen, afhankelijkheidsrelaties, minder zichtbare rollen en passende bejegening.
Het Roosendaalse onderzoek noemt daarnaast dat genderspecifieke signalen kunnen worden meegenomen in bestaande aanpakken. Hierbij kan je volgens Muselaers denken aan een PGA Jeugd en aanpakken rond schoolveiligheid. “Op die manier hoeft aandacht voor meisjescriminaliteit niet altijd naast bestaande werkwijzen te worden georganiseerd, maar kan deze daarin worden opgenomen.”
Maak online signalen onderdeel van de samenwerking
Online en offline leefwerelden zijn bij meisjescriminaliteit niet los van elkaar te zien. Het onderzoek in Roosendaal beschrijft dat contacten, conflicten, beïnvloeding en ronseling ook online plaatsvinden en gevolgen kunnen hebben in het dagelijks leven van jongeren.
Het onderzoek beveelt daarom aan om beschikbare online trendinformatie te gebruiken in lokale signalering en preventie. Het noemt daarbij ook de Routekaart Samenwerken bij onine jeugdcriminaliteit. Deze routekaart is ontwikkeld door NHVeilig, Partner in Crime en het CCV, mede mogelijk gemaakt door het ministerie van Justitie en Veiligheid.
De routekaart helpt gemeenten, politie, jongerenwerk, boa’s en andere partners om zorgwekkende online signalen gezamenlijk te duiden, te bepalen welke actie nodig is en afspraken vast te leggen.
Het CCV adviseert om deze signalen niet pas te bespreken wanneer een incident heeft plaatsgevonden.
Katja Muselaers: “Breng ook eerder in beeld welke online en offline signalen partners zien, wie welke informatie heft en wanneer je elkaar inschakelt. Zo kan de samenwerking rond signalering en opvolging beter worden georganiseerd.”
Wat is bekend over interventies?
Het WODC onderzocht in een systematische internationale literatuurreview 22 interventies. Vijf daarvan werden in studies met een hoge methodologische kwaliteit effectief bevonden: één justitiële interventie, twee interventies binnen de opvoedings- of residentiële context en twee schoolinterventies.
Een grotere groep interventies wordt als veelbelovend beschouwd, maar is onderzocht met minder strikte onderzoeksdesigns. De helft van de geselecteerde interventies werd als niet effectief geclassificeerd.
Effectieve en veelbelovende genderspecifieke interventies zijn vooral ontwikkeld binnen justitie en gezin. Zij besteden aandacht aan trauma, relaties en emotieregulatie.
Binnen scholen bleken juist genderneutrale interventies effectief als zij breder werkten dan alleen met de individuele leerling en ook docenten, ouders of de omgeving betrokken.
Vrijwel alle effectieve interventies bevatten een cognitief-gedragsmatige component, gecombineerd met concrete vaardigheden en een sociaal-ecologische benadering.
Van de 22 onderzochte interventies staan er drie in de Nederlandse databank van het Nederlands Jeugdinstituut. Het WODC beoordeelt alleen Agressie Regulatie Training als veelbelovend voor deze specifieke doelgroep.
Veel interventies zijn buiten Nederland ontwikkeld. Volgens het WODC is daarom aanvullend effectonderzoek nodig naar toepassing in de Nederlandse context.
Geen vast profiel van ‘het criminele meisje’
Beide onderzoeken laten zien dat meisjes geen homogene groep zijn.
Gendersensitief werken betekent daarom dat interventies en begeleiding aansluiten bij de risico’s en mechanismen
die daadwerkelijk aanwezig zijn, zoals trauma, relationele afhankelijkheid en emotieregulatie.
Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat professionals automatisch uitgaan van slachtofferschap, passiviteit of één vast ‘meisjesprofiel’.
De onderzoeken onderbouwen daarmee het belang van vroegsignalering, aandacht voor minder zichbare en online signalen, het verbinden van zorg en veiligheid en een gendersensitieve aanpak die aansluit op de situatie van het individuele meisje.
Volgens Muselaers ligt er in de aanpak van meidencriminaliteit een belangrijke regierol voor gemeenten.
“Zij kunnen zorgen dat signalen uit verschillende domeinen bij elkaar kunnen komen en dat partners weten wanneer en hoe zij gezamenlijk handelen.”
Bronnen
- Beijers, J.E.H., Slotboom, A.-M., Prosman, J.S. & Van der Laan, A.M. (2026). Criminaliteit onder minderjarige en jongvolwassene vrouwen. Ontwikkelingen en interventies. WODC/Vrije Universiteit, Cahier 2026-9.