Direct naar content

Interventies tegen jeugdcriminaliteit: wat werkt en wat niet?

Welke interventies helpen om jeugdcriminaliteit te voorkomen? En hoe kies je een aanpak die past bij de jongeren en problemen in jouw gemeente? Onderzoek laat zien dat niet iedere interventie werkt. Sommige aanpakken hebben weinig effect of kunnen zelfs averechts werken. Op deze pagina lees je welke inzichten uit onderzoek kunnen helpen bij het kiezen en uitvoeren van interventies.

jongeren rond tafel met twee volwassenen

Wat werkt bij het voorkomen van jeugdcriminaliteit?

Effectieve preventie begint met inzicht in de oorzaken van het gedrag van jongeren. Criminaliteit ontstaat meestal niet door één probleem. Vaak spelen meerdere factoren een rol, zoals problemen thuis, op school, in de vrije tijd of in de omgang met vrienden.

Onderzoekers Geert Jan Stams en Jan Hendriks beschrijven in hun artikel Preventie met beleid: het voorkomen van jeugdcriminaliteit in Nederland welke uitgangspunten belangrijk zijn voor effectieve interventies.

1. Begin zo vroeg mogelijk

Hoe jonger kinderen zijn, hoe groter de kans dat preventieve programma’s helpen om later delinquent gedrag te voorkomen.

  • Onder de 6 jaar: programma’s gericht op opvoedingsondersteuning, cognitieve ontwikkeling en het voorkomen van gedragsproblemen laten de grootste effecten zien. Een aangehaalde meta-analyse laat een gemiddelde afname van 19% in delinquent gedrag zien. Deze effecten kunnen doorwerken tot in de volwassenheid.
  • Van 6 tot 12 jaar: oudertrainingen en schoolgerichte programma’s om gedragsproblemen te voorkomen laten nog steeds duidelijke positieve effecten zien.
  • Van 12 tot 15 jaar: de effecten op het voorkomen van een eerste delict zijn kleiner.
  • Vanaf ongeveer 15 jaar: in de aangehaalde meta-analyse zijn geen aantoonbare effecten meer gevonden op het voorkomen van een eerste delict.

Let op: dit betekent niet dat interventies bij oudere jongeren geen zin hebben. Jongeren die al delicten hebben gepleegd, kunnen ook op latere leeftijd baat hebben bij gerichte ondersteuning en behandeling om herhaling te voorkomen.

2. Stem de interventie af op de jongere

Een interventie heeft meer kans van slagen wanneer deze past bij het risico, de problemen en de persoonlijke kenmerken van een jongere. Het wetenschappelijk onderbouwde Risk-Need-Responsivity-model (RNR-model) biedt hiervoor drie uitgangspunten:

  • Risico: stem de intensiteit van de interventie af op het risico op criminaliteit. Jongeren met een laag risico hebben weinig of geen intensieve begeleiding nodig. Bij hoge risico’s is vaak meer ondersteuning nodig.
  • Behoefte: richt de interventie op problemen die samenhangen met crimineel gedrag én die te veranderen zijn. Denk aan problemen op school, middelengebruik of negatieve invloed van vrienden.
  • Aansluiting: houd rekening met de kenmerken van de jongere, zoals leeftijd, intelligentie, motivatie en opleidingsniveau.

Dit model vormt de basis voor het Landelijk Kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies. Het kwaliteitskader houdt ook rekening met de rechten van kinderen en het belang van een veilige ontwikkeling.

3. Pak meerdere risicofactoren tegelijk aan

Een interventie die zich op slechts één risicofactor richt, heeft doorgaans weinig effect.

Bij jongeren met meerdere problemen zijn aanpakken die verschillende risicofactoren tegelijk aanpakken vaak kansrijker. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om een combinatie van problemen thuis, op school, met vrienden en in de vrije tijd.

Bij jongeren met een hoog risico op criminaliteit kan een intensieve aanpak nodig zijn. Daarbij is aandacht voor de jongere, het gezin en het sociale netwerk.

4. Versterk beschermende factoren

Niet iedere vorm van preventie hoeft direct gericht te zijn op crimineel gedrag. Het versterken van positieve omstandigheden helpt ook om problemen te voorkomen.

Denk aan:

  • Een veilige en positieve opvoedomgeving.
  • Een goed pedagogisch klimaat op school.
  • Veilige buurten en sociale samenhang.
  • Toegang tot sport en culturele activiteiten.
  • Gestructureerde vrijetijdsbesteding met goede begeleiding.

Een voorbeeld is het programma Alleen Jij Bepaalt Wie Je Bent (AJB). Jongeren met een verhoogd risico op crimineel gedrag sporten in teamverband bij een sportvereniging. Ze krijgen begeleiding van pedagogisch opgeleide trainers die ook als rolmodel en mentor fungeren.

5. Voer interventies goed uit

Een goed onderbouwde interventie heeft alleen kans van slagen wanneer deze zorgvuldig wordt uitgevoerd. Daarvoor zijn deskundige professionals, een duidelijke werkwijze en voldoende aandacht voor de kwaliteit van uitvoering belangrijk.

Het is dus niet genoeg om een effectieve interventie te kiezen. Gemeenten en uitvoerende organisaties moeten ook nagaan of de aanpak wordt uitgevoerd zoals bedoeld.

Welke interventies werken niet of onvoldoende?

Sommige aanpakken lijken aantrekkelijk, omdat ze zichtbaar zijn of snel kunnen worden ingezet. Maar zichtbaarheid betekent niet dat een aanpak ook werkt.

Onderzoekers waarschuwen voor een aantal veelvoorkomende valkuilen.

Afschrikken kan averechts werken

Jongeren confronteren met de harde gevolgen van criminaliteit helpt doorgaans niet om crimineel gedrag te voorkomen. Zulke programma’s kunnen zelfs leiden tot meer probleemgedrag.

Ook een sterke nadruk op dwang en sancties vergroot volgens de onderzoekers niet de kans op blijvende gedragsverandering.

Alleen voorlichting is meestal onvoldoende

Algemene voorlichting of bewustwordingslessen leiden niet automatisch tot ander gedrag. Dat geldt bijvoorbeeld voor programma’s waarin jongeren worden gewaarschuwd voor de gevolgen van criminaliteit.

Soms kunnen zulke activiteiten onbedoeld de indruk wekken dat crimineel gedrag stoer of normaal is.

Dat betekent niet dat alle voorlichting onbruikbaar is. De onderzoekers waarschuwen specifiek voor het inzetten van algemene voorlichting als interventie om jeugdcriminaliteit te voorkomen.

Ervaringsdeskundigen inzetten vraagt zorgvuldigheid

Ervaringskennis kan waardevol zijn in het contact met jongeren. Maar voor programma’s waarin voormalig delinquenten jongeren begeleiden, ontbreekt volgens de onderzoekers overtuigend bewijs dat ze jeugdcriminaliteit verminderen.

Zij wijzen onder meer op het belang van professionele grenzen, goede training en pedagogische deskundigheid.

Groepsactiviteiten kunnen risico’s vergroten

Wanneer jongeren met gedragsproblemen zonder voldoende begeleiding bij elkaar worden gebracht, kunnen ze elkaar negatief beïnvloeden. Probleemgedrag kan daardoor juist toenemen.

Bij jongeren met een verhoogd risico verdienen individuele interventies of goed begeleide groepsactiviteiten daarom de voorkeur.

Toezicht en samenwerking zijn niet genoeg

Een persoonsgerichte aanpak (PGA) kan helpen om gemeenten, politie, justitie en zorgorganisaties samen te laten werken.

Maar samenwerking is op zichzelf geen gedragsinterventie. Om criminaliteit daadwerkelijk terug te dringen, zijn ook een goede risico-inschatting, passende behandeling en aandacht voor de kwaliteit van uitvoering nodig.

Voor oudere jongeren die al delicten hebben gepleegd, blijkt alleen toezicht en begeleiding zonder passende behandeling onvoldoende om herhaling te voorkomen.

Welke interventies zijn effectief?

In het artikel in Justitiële Verkenningen bespreken Stams en Hendriks een meta-analyse van Nederlandse preventieve en justitiële interventies. Daaruit blijkt dat drie onderzochte interventies enige aanwijzingen voor effectiviteit laten zien bij het voorkomen van jeugdcriminaliteit:

  1. Alleen Jij Bepaalt Wie Je Bent (AJB). Deze interventie staat in de databank Effectieve jeugdinterventies als ‘effectief volgens eerste aanwijzingen voor effectiviteit’’
  2. Agressie Regulatie (AR) op Maat Jongvolwassenen. Volgens de databank Effectieve jeugdinterventies van het NJi is deze interventie ‘effectief volgens goede aanwijzingen’. De interventie vindt plaats in ambulante of residentiële setting.
  3. Sociale Vaardigheden (SoVa) op Maat. In de databank Effectieve jeugdinterventies staat deze interventie als ‘goed onderbouwd’.

Dat betekent niet dat deze drie interventies definitief bewezen effectief zijn of dat andere interventies niet kunnen werken. Van veel interventies is nog onvoldoende onderzocht wat het effect is op jeugdcriminaliteit.

Ook is niet iedere interventie geschikt voor iedere jongere. De keuze hangt onder andere af van het risico, de problemen en de persoonlijke omstandigheden.

Hoe kies je een passende interventie?

Voor gemeenten en lokale partners is het belangrijk om niet direct een project of programma te kiezen. Kijk eerst welke problemen spelen en wat je met de interventie wilt bereiken.

De volgende vijf aandachtspunten helpen bij het maken van een onderbouwde keuze.

1. Breng de risico’s en problemen in beeld

Onderzoek welke factoren bijdragen aan het criminele gedrag of het risico daarop. Kijk ook naar omstandigheden die jongeren beschermen. Gebruik daarbij dit overzicht van risico- en beschermende factoren.

Bij jongeren met een hoog risico is een goede risico-inschatting nodig om te bepalen welke ondersteuning of behandeling passend is.

2. Bepaal wat je wilt voorkomen

Wil je voorkomen dat jongeren voor het eerst een delict plegen? Of wil je voorkomen dat jongeren opnieuw delicten plegen?

Dit onderscheid is belangrijk. Preventie bij jonge kinderen vraagt om andere interventies dan het voorkomen van herhaling bij oudere jongeren.

3. Kies een goed onderbouwde aanpak

Bekijk welke wetenschappelijke kennis beschikbaar is over de werking van een interventie.

Het Landelijk Kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies helpt bij het beoordelen van bestaande en nieuwe interventies.

Kijk daarbij niet alleen of een aanpak veelbelovend is, maar ook of onderzocht is wat deze daadwerkelijk oplevert.

4. Zorg voor een goede uitvoering

Ga na of de professionals voldoende kennis en vaardigheden hebben om de interventie uit te voeren.

Maak duidelijk hoe de interventie moet worden toegepast en bewaak de kwaliteit van de uitvoering.

5. Onderzoek wat de interventie oplevert

Blijf volgen of een interventie de beoogde resultaten bereikt.

Gebruik de uitkomsten om te beoordelen of een aanpak moet worden voortgezet, verbeterd of beëindigd. Koppel nieuwe interventies waar mogelijk vanaf het begin aan effectonderzoek.

Wat betekent dit voor jouw werk?

Voor gemeenten en beleidsmedewerkers

Gemeenten maken keuzes over preventiebeleid, de inzet van middelen en de samenwerking met uitvoerende organisaties.

Het onderzoek biedt drie belangrijke aandachtspunten:

  • Investeer in vroege preventie, vooral bij kinderen met een verhoogd risico op gedragsproblemen.
  • Geef de voorkeur aan een beperkt aantal goed onderbouwde interventies boven veel losse projecten waarvan de effecten onbekend zijn.
  • Gebruik wetenschappelijke kennis en het Landelijk Kwaliteitskader om de keuze, uitvoering en evaluatie van interventies te beoordelen.

Voor jongerenwerkers en welzijnsorganisaties

Jongerenwerk en welzijn kunnen bijdragen aan een positieve ontwikkelomgeving voor jongeren.

Op basis van het onderzoek zijn vooral deze aandachtspunten relevant:

  • Versterk beschermende factoren, zoals positieve contacten, sport en gestructureerde vrijetijdsbesteding.
  • Zorg voor voldoende pedagogische begeleiding bij groepsactiviteiten met jongeren die gedragsproblemen hebben.
  • Kijk bij jongeren met meerdere problemen verder dan één afzonderlijke risicofactor.

Voor scholen en onderwijsprofessionals

Ook scholen kunnen bijdragen aan het voorkomen van problemen die later samenhangen met jeugdcriminaliteit.

Daarbij zijn vooral een positief pedagogisch klimaat en programma’s die gedragsproblemen bij kinderen helpen voorkomen van belang.

Wees kritisch op algemene voorlichtingsprogramma’s over criminaliteit. Meer kennis over de gevolgen van criminaliteit betekent niet automatisch dat leerlingen hun gedrag veranderen.

Voor politie en veiligheidspartners

Bij jongeren met een hoog risico op criminaliteit of herhaling is het belangrijk om verder te kijken dan toezicht en handhaving.

Het onderzoek onderstreept het belang van een goede risico-inschatting en passende interventies. Binnen een persoonsgerichte aanpak vraagt dat om samenwerking met organisaties die de benodigde behandeling en begeleiding kunnen bieden.

Meer weten?

Neem contact met ons op

"*" geeft vereiste velden aan